Rossini's klaagzang der muzen over Byrons dood
Herziene versie van het artikel verschenen in de Nieuwsbrief van het Nederlands Byron Genootschap, 19 april 2024, 10-12.
Hoewel Byron volgens Peter Cochran geen groot muziekliefhebber was, kon hij wel degelijk waardering opbrengen voor de opera's van Rossini (1792-1868). Tijdens zijn verblijf in Venetië bezocht hij verschillende van diens opera's, waaronder Otello - ‘Music good but lugubrious’ -en Eduardo e Christina - ‘There has been a splendid Opera lately at San Benedetto -by Rossini - who came in person to play the Harpsichord’. Bovendien bleven melodieën uit Rossini's opera's in zijn hoofd hangen en gebruikte hij citaten uit de libretto’s in zijn brieven aan Teresa Guiccioli. Zijn mening over Rossini was echter niet onverdeeld positief, zoals blijkt uit Don Juan, canto XVI, stanza 45, waarin hij verwijst naar de aria ‘Di Tanti palpiti’ uit Rossini's Tancredi. In zijn aantekeningen bij deze stanza zegt hij de voorkeur te geven aan een eenvoudige melodie boven de variaties van de Italiaanse school: ‘Rossini will go a good way to bring most people to the same Opinion – some day. […] However – I state this with diffidence, as a liege and loyal admirer of Italian Music in general, and of much of Rossini’s, but we may say, [..] “that the picture would be better painted if the painter had taken more pains.”’
Rossini wist zich desgevraagd decennia later nog te herinneren dat hij Byron in Venetië in een restaurant had ontmoet en aan hem was voorgesteld, maar dat was alles: ‘our acquaintance, therefore, was very slight.’ Byron zelf maakte dan ook geen melding van deze ontmoeting met de componist.
Rossini’s antwoord is veelzeggend en het is dan ook niet verbazingwekkend dat hij, in tegenstelling tot zijn tijdgenoot Donizetti (1797-1848), nooit werken van Byron heeft gebruikt voor zijn opera's. Weliswaar schreef hij in 1826 een opera getiteld Le Siège de Corinthe, maar dit werk is niet gebaseerd op Byrons The Siege of Corinth, ook al wordt dit soms wel beweerd. Rossini's opera speelt zich echter af tegen de achtergrond van het door de Turken onder Mohammed II in 1458 belegerde Korinthe, terwijl Byrons gedicht handelde over het Turkse beleg in 1715 van deze in 1687 door de Venetianen veroverde stad. De hoofdpersoon in Rossini's opera is de Turkse sultan, terwijl dat bij Byron een naar de Turken overgelopen Venetiaan is. Rossini's opera was bovendien een omgewerkte versie van zijn uit 1820 daterende opera Maometto Secondo. Deze opera in twee aktes had het beleg in 1470 van het toen Venetiaanse Negroponte (Chalkis op het eiland Euboea) door de Turken tot onderwerp.
Het beleg van Missolonghi in 1825-1826 door de Turken bracht in West-Europa een golf van sympathie voor de Griekse onafhankelijkheidsstrijd teweeg; om steun voor de Griekse onafhankelijkheidsstrijd te werven werkte Rossini zijn Maometto Secondo in 1826 om tot Le Siège de Corinthe. De première vond plaats op 9 oktober 1826 in de Parijse opera, waar Rossini sinds 1824 de leiding had van het Théâtre Italien. Deze nieuwe opera bestond uit drie aktes met in totaal zestien nummers; daarvan waren er vier nieuw gecomponeerd, drie ingrijpend gereviseerd en negen werden vrijwel onveranderd overgenomen. Door de handeling te verplaatsen van het door de Venetianen verdedigde Negroponte naar het door de Grieken verdedigde Korinthe, zal het verband met de Griekse onafhankelijkheidsstrijd en het beleg van Missolonghi niemand zijn ontgaan. De keuze van de titel was ongetwijfeld ook ingegeven door de bijna onvermijdelijke associatie met Byrons gelijknamige gedicht en diens dood in Missolonghi, waardoor zijn naam voorgoed aan de Griekse onafhankelijkheidsstrijd verbonden zou blijven.
Aan Rossini's vestiging in Parijs in augustus 1824 was een zeven maanden durend verblijf in Londen voorafgegaan. Op uitnodiging van de impresario Giovanni Battista (Giambattista) Benelli (1773-1857), de toenmalige manager van het King’s Theatre in Londen, had Rossini zich voor de periode van januari tot augustus 1824 aan dat theater verbonden. In het daartoe opgestelde contract werd Rossini aangesteld als ‘Composer and Director of the Music’ en werd zijn vrouw Isabella Colbran geëngageerd als primadonna tegen een vergoeding van respectievelijk 1000 en 1500 pond sterling. Rossini van zijn kant verplichtte zich acht van zijn eigen opera's te leiden en een nieuwe opera (Ugo Ré d’Italia) te componeren. De opera is echter onvoltooid gebleven en ook het optreden van zijn vrouw was geen succes.
Naast zijn reeds aanzienlijke inkomsten uit zijn verbintenis met het King's Theatre, verdiende Rossini grote bedragen met het geven van soirees en lessen aan vermogende leden van de adel. Hij was overal in Londen een graag geziene gast en daar liet hij zich ook goed voor betalen: voor een optreden van het echtpaar op een soiree ontving hij minimaal 50 guineas en voor privé-zanglessen (o.a. aan Wellington) 100 pond. Bovendien organiseerde een comité van aanzienlijke dames twee benefietconcerten voor hem ‘for the purpose of more adequately rewarding the gran maestro for the risque he encountered, and the inconvenience he endured, in crossing the abominable Straits of Dover’. De toegangsprijs voor deze concerten, die op 14 mei en 11 juni 1824 plaatsvonden in het zeer exclusieve Almack's, bedroeg twee guineas en leverden Rossini zo'n 1600 pond op. In financieel opzicht hield de componist dan ook zeer goede herinneringen over aan zijn verblijf in Londen, waar hij naar eigen zeggen in vier maanden tijd meer had verdiend dan gedurende zijn hele carrière daarvoor in Italië.
Op 14 mei, de dag dat het eerste benefietconcert voor Rossini werd gehouden, had het nieuws van Byrons overlijden Londen bereikt. Dit nieuws zal ongetwijfeld het gesprek van de avond zijn geweest en leidde tot Rossini’s compositie van de cantate Il pianto delle muse in morte di Lord Byron. Hij droeg de cantate op aan Henry F. De Roos, die waarschijnlijk ook de opdrachtgever was geweest. De Roos was een van de leden van het beheerscomité dat Benelli terzijde stond bij het management van het King's Theatre en was een dergenen die privé-zangles bij Rossini hadden genomen.
Rossini’s cantate was geen volledig nieuw werk, maar een bewerking van het koor ‘Nume cui il sol è trono’ uit Maometto Secondo. Voor zijn bewerking componeerde hij een nieuwe orkestrale inleiding en voorzag hij het van een slot in majeur en een andere bezetting en stemverdeling, namelijk een tenor als Apollo en een koor van muzen. Uiteraard werd er voor de cantate ook een op de gelegenheid toegesneden tekst geschreven:
Apollo
Ahi, qual destin crudel
invola al nostro core
te, prima gloria e onore
dell Eliconio stuol.
Wee, welk wreed lot
berooft ons hart van
jou, de eerste glorie en eer
van de bewoners van de Helicon.
Muzen
Più non sarà ch'il labbro
sciolga a quei divi accenti.
Er zal niemand meer zijn wiens lippen
vorm geven aan die goddelijke zinnen.
Apollo
Ah!, ei non è più.
Ch'udian sospesi i venti,
ah, figli di patrio amor.
Wee! Hij is er niet meer.
Die de winden deed verstommen,
wee, zonen van vaderlandsliefde.
Muzen
Ahi, non è più quel grande,
taccia la cetra e il canto.
Helaas, die grote man is niet meer
dat lier en zang zwijgen.
Apollo
Ah, ei non è più.
Altro sfogo che pianto
il nostro duol non ha.
Wee, hij is er niet meer.
Een andere uitlaatklep dan geween
is er niet voor ons verdriet.
Allen
Il nostro duol non ha.
Ahi, ah.
Is er niet voor ons verdriet
Wee, wee.
Het is niet bekend uit wiens pen deze tekst is gevloeid, hoewel Gaia Servadio, een van Rossini's biografen, opperde dat Ugo Foscolo, die toentertijd in politieke ballingschap in Londen verbleef, de tekstdichter kan zijn geweest.
De eerste uitvoering van deze ruim zes minuten durende cantate vond plaats op 11 juni 1824 tijdens het tweede benefietconcert in Almack's Rooms. Daar stond het als laatste nummer voor de pauze geprogrammeerd als 'Ottavino, «I pianti delle Muse in morte di Lord Byron», sung by Signor Rossini and all the Vocal Performers'. Volgens een na de uitvoering verschenen recensie moest de verklaring voor de aanduiding 'Ottavino' gezocht worden in het feit dat deze cantate door acht stemmen ten gehore werd gebracht, maar aangezien het koor uit negen leden bestond, is het aannemelijker dat deze naam verwijst naar de (bijna) acht weken die bij de première waren verstreken sinds Byrons overlijden.
Hoewel het aanwezige publiek enthousiast schijnt te zijn geweest en de cantate gebisseerd werd, werd het in de pers niet erg gunstig onthaald. Zo schreef The Harmonicon:
‘The Ottavino, on the death of Lord Byron, was sung by Signor Rossini, who certainly did not spare his lungs on the occasion, though he could not bring himself to afford a few lines of printing, to let his auditors know what words the muse intermixed with her tears. [...] As a whole, we never heard a duller concert than this; and although two or three claqueurs, stationed at the bottom of the room, did now and then raise some partial applause, and actually succeeded in getting the Ottavino encored, yet we will, without fear of contradiction, assert, that nineteen-twentieths of the audience were as little amused as ourselves, and much more dissatisfied.’
The Examiner oordeelde nog strenger:
‘There was something very foreign, not to say Frenchified, about the style; and the excess of grief which he endeavoured to express, now faltering in his accents, and then shouting out with the fullest strength of his lungs, was most extravagant, and would have been ludicrous, had not our feelings towards the deceased got the better of our propensity to laugh. These exhibitions of affected sorrow are at all times very disagreeable, but more particularly so where our respect for the lamented person inclines us to resent such artificial demonstrations of sorrow. The music was of the most commonplace description, but seemed to suit the taste of many of the fashionables present, who encored it vehemently, in spite of its tediousness and the extraordinary heat which Rossini suffered from his boisterous exertions.’
Ook de Londense correspondent van de Allgemeine Musikalische Zeitung signaleerde dit concert en onderschreef de in The Examiner geuite kritiek; Rossini's compositie was volgens hem ‘eine Sammlung von Gemeinplätzen, die man mehr als hundert Mal schon anderswo gehört hat.’
Gelukkig zijn er tegenwoordig verschillende opnames van dit stuk op CD beschikbaar en is het ook te beluisteren via YouTube. Iedereen kan zich dus aan de hand van die opnames zelf een mening vormen over de kwaliteit van Rossini's cantate Il pianto delle muse in morte di Lord Byron.
E-mail: marinus_christ at hotmail.com
Maak jouw eigen website met JouwWeb